Broertje-zusje-ruzie de hele dag door

Ze kunnen geen vijf minuten samen in een kamer zijn zonder gekrijs, en jij bent er stapelgek van. Toch is veel ruzie tussen broertjes en zusjes normaal: thuis is de veiligste plek om te oefenen met botsen, delen en het weer goedmaken. Dat het jou uitput, is minstens zo waar.
- Tel eerst tot tien voordat je erheen loopt. Veel ruzies lossen kinderen zelf op als je ze even de kans geeft, en elke keer dat dat lukt leren ze meer dan van jouw tussenkomst. Luister op afstand mee en grijp pas in als het escaleert.
- Grijp wel meteen in bij slaan, bijten of een groot leeftijdsverschil. Fysiek pijn doen is een duidelijke grens: haal ze uit elkaar, benoem kort de regel ("wij doen elkaar geen pijn") en laat iedereen eerst afkoelen.
- Speel geen rechter. "Wie is er begonnen" is een vraag zonder goed antwoord: jij hebt het begin nooit gezien en iemand voelt zich altijd onrechtvaardig behandeld. Behandel de ruzie als iets van hen samen.
- Benoem beide kanten hardop. "Jij wilde verder bouwen, en jij wilde meedoen." Kinderen die zich gehoord voelen, hoeven minder hard te schreeuwen om hun gelijk.
- Geef ze daarna een probleem in plaats van een oplossing. "Er is één schep en jullie willen allebei: hoe lossen we dat op?" Vanaf een jaar of vier komen kinderen vaak zelf met iets, en aan hun eigen oplossing houden ze zich beter.
- Zorg voor eigen plek en eigen spullen. Niet alles hoeft gedeeld. Een eigen la, een eigen hoekje of een half uurtje apart spelen na school voorkomt een hoop botsingen.
- Plan met elk kind alleen-tijd. Tien minuten per dag echt met één kind, zonder de ander erbij. Veel gekibbel is verkapte strijd om jouw aandacht, en die strijd wordt kleiner als de aandacht verzekerd is.
- Benoem wat goed gaat. "Wat lief dat je haar hielp" werkt beter dan alleen reageren als het misgaat. Kinderen herhalen het gedrag dat aandacht krijgt.
Kinderen die overdag ruziën als straatkatten, liggen 's avonds vaak giechelend bij elkaar in bed: het hoort er allebei bij.