Spanning voor de eerste schooldag

De eerste schooldag komt dichterbij en je merkt het aan alles: buikpijn, slecht slapen, sneller boos of juist heel stil. Spanning voor iets nieuws en groots is gezond en logisch, ook als je kind er eigenlijk zin in heeft. Jouw taak is niet de spanning wegnemen, maar hem draagbaar maken.
- Neem de spanning serieus zonder hem groter te maken. "Spannend hè, dat snap ik" werkt beter dan "je hoeft niet bang te zijn" of "het wordt hartstikke leuk!". Een kind dat zich gehoord voelt, hoeft minder hard te protesteren.
- Maak de dag concreet en voorspelbaar. Vertel hoe de dag er ongeveer uitziet: eerst in de kring, dan spelen, dan fruit eten, dan kom jij weer. Onbekend is eng, en elk stukje dat bekend wordt, is een stukje minder eng.
- Gebruik het wenmoment goed. De meeste basisscholen hebben wenmomenten voor de start. Kijk samen rond, zoek de wc en het haakje voor de jas, en zwaai naar de juf of meester: dat zijn straks bekende ankers.
- Oefen de route samen. Loop of fiets een paar keer naar school, ook in de vakantie. Op de grote dag zelf is de weg dan alvast gewoon.
- Lees boekjes over naar school gaan. Via een verhaal kan je kind veilig alvast oefenen met het idee, en er komen vaak vanzelf vragen los waar je anders niet op was gekomen.
- Geef iets kleins van thuis mee. Een knuffeltje in de tas of een tekening van jou in de broodtrommel: iets tastbaars van thuis helpt op een zwaar moment.
- Houd het afscheid bij het hek kort en luchtig. Kus, "veel plezier, tot vanmiddag", en gaan, ook als je zelf een brok in je keel hebt. Jouw rust vertelt je kind dat het veilig is.
- Stel je vragen na schooltijd uit. "Hoe was het?!" bij het hek levert meestal "goed" op en verder niets. De echte verhalen komen later, bij het avondeten of onder de douche, als je even niets vraagt.
En als jij zelf ook een traantje wegpinkt bij dat hek: welkom bij de club, die is groot.